◆ Kamervraag· 2024Z17409Beantwoord
Overwerktoeslag voor deeltijdwerkers
Mariëtte PatijnGroenLinks-PvdA5 nov 2024
Bekijk op tweedekamer.nlJouw stem · kamervraag
Jouw stem · kamervraag
Stem· kamervraag
Nog geen stemmen — wees de eerste.
Vragen
V1Bent u bekend met de uitspraak van het Hof van Justitie op 19 oktober 2023? 1
V2Bent u bekend met de uitspraak van het Hof van Justitie op 29 juli 2024? 2
V3Neemt het Hof van Justitie hiermee afstand van hun eigen «Helmig-arrest» 3 waarmee de lijn is uitgezet dat het geen ongelijke behandeling is als een deeltijdwerker pas een overurentoeslag betaald krijgt wanneer de voor voltijdwerkers geldende normale arbeidstijd wordt overschreden? Kan de tot nu toe gehanteerde Helmigdoctrine (dat de totale beloning gelijk moet zijn, ongeacht of een gewerkt uur voor de ene werknemer wel en voor de andere werknemer niet binnen zijn contractuele arbeidsduur valt) nog toegepast worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
V4Hoe beoordeelt u in dit kader de uitspraak in een brief aan de Eerste Kamer van 21 november 2023 4 , namelijk dat aan de Helmigdoctrine pas een einde zou komen als de Richtlijn zou worden aangepast of als het Hof van Justitie van de Europese Unie een andere uitleg aan de Richtlijn geeft en dat Nederland gehouden is aan de aanpak van het Hof?
V5Zijn er gevolgen voor de Werkloosheidwet (WW-)premiedifferentiatie verloning van overwerk? Zo ja, welke? Kunt u in dit antwoord de herzieningssituatie betrekken waarbij de werkgever de hoge WW-premie moet afdragen als de werknemer in een kalenderjaar meer uren dan 30% dan contractueel krijgt verloond?
V6Bent u van mening dat dit het geval is op basis van de uitkomsten van bovengenoemde uitspraken uit 2023 en 2024? Kunt u uw antwoord toelichten?
V7Wat voor gevolgen voor de Nederlandse wetgeving heeft deze uitspraak volgens u?
V8Welke gevolgen zijn er voor de Wet onderscheid arbeidsduur, die is neergelegd in het Burgerlijk Wetboek, artikel 7:648? X Noot 1 Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 oktober 2023, ECLI:EU:C:2023:789, ( https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=C6B2C19C3A43A5151E5 F7875378D499A?text=&docid=278791&pageIndex=0&doclang=NL&mode=req &dir=&occ=first&part=1&cid=1984732 ). X Noot 2 Hof van Justitie van de Europese Unie, 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:637, ( https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=288833&page Index=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=1172627 ) X Noot 3 Hof van Jusitie van de Europese Unie, 15 december 1994, ECLI:EU:C:1994:415, (EUR-Lex – 61992CJ0399 – EN – EUR-Lex). X Noot 4 Kamerstukken I, 2023/24, 35 335, nr. L .