◆ Kamervraag· 2021Z06612Beantwoord
De strenge criteria voor de herziening van strafzaken
Michiel van NispenSP21 apr 2021
Bekijk op tweedekamer.nlJouw stem · kamervraag
Jouw stem · kamervraag
Stem· kamervraag
Nog geen stemmen — wees de eerste.
Vragen
V1Heeft u kennisgenomen van het oordeel van de Hoge Raad over de Arnhemse Villamoord? 1
V2Herinnert u zich eerdere Kamervragen over de Arnhemse villamoord, waarin u constateerde dat inmiddels was vastgesteld dat negen verdachten in deze zaak zijn veroordeeld op basis van bekentenissen die zijn verkregen met een wijze van verhoren die naar het huidige wetenschappelijke inzicht het risico op een valse bekentenis verhogen? 2
V3Wat vindt u ervan dat een zaak waarin inmiddels vaststaat dat verdachten destijds zwaar onder druk zijn gezet door de politie om verklaringen af te leggen en er andere onzorgvuldigheden zijn, toch niet tot een herziening kan leiden omdat er geen sprake is van een novum, een nieuw gegeven waarvan het ernstige vermoeden bestaat dat als de rechter hier destijds kennis van had gehad, deze tot een andere uitspraak (geen veroordeling) zou zijn gekomen? 3
V4Heeft u kennisgenomen van de inhoud van het advies van de advocaat-generaal aan de Hoge Raad in deze zaak? Begrijpt u het dat het voor veel mensen moeilijk te begrijpen is dat wordt overwogen dat er van alles aan te merken is op deze veroordelingen en de belastende bekentenissen waarop deze veroordelingen berusten onder druk zijn afgelegd en inmiddels zijn ingetrokken, dat de veroordeling als «potentieel onveilig» wordt aangemerkt, dat een andere rechter op basis van het beschikbare bewijsmateriaal wellicht tot een vrijspraak of andere uitspraak zou zijn gekomen, maar dit toch geen aanleiding is voor een herziening omdat dit niet kan gelden als novum? Wat is uw reactie hierop? 4
V5Deelt u de mening dat het een manco in de herzieningsregeling is dat feiten en omstandigheden waarvan de veroordelende instantie kennis had kúnnen nemen niet als novum kunnen worden aangemerkt, ongeacht of van bepaalde feiten en omstandigheden ook (zoals in casu alle opnames van de verhoren) ook echt kennis is genomen, of dat bepaalde kennis over een specialistisch vraagstuk (zoals in concreto het fenomeen van de valse bekentenissen) wel voldoende aanwezig was? Zo nee, waarom niet en kunt u dit dan uitgebreid motiveren?
Erkent u dat in de wetsgeschiedenis bij de verruiming van de herziening ten voordele expliciet aandacht is besteed aan nieuwe inzichten over valse bekentenissen? Welke betekenis moet volgens u worden toegekend aan de volgende zinnen in de memorie van toelichting bij die wet: «Bovendien is inmiddels uit gedragswetenschappelijk onderzoek gebleken dat bekentenissen die verdachten in hun strafzaak hebben afgelegd niet altijd betrouwbaar zijn. Werd de bekentenis vroeger nog de «Koningin van het bewijs» genoemd, ervaringen uit het (recente) verleden (o.a. Schiedammer parkmoord) leren dat onschuldige verdachten onder invloed van psychologische processen ernstige misdrijven kunnen bekennen die zij niet hebben begaan. Analyse van verhoren kan aan het licht brengen dat verkeerde verhoortechnieken zijn gebruikt. De huidige herzieningsregeling biedt naar mijn oordeel te weinig ruimte om rekening te houden met nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen.»? Was het dus niet juist de bedoeling van de wetgever om dergelijke inzichten juist wel als grond voor herziening aan te merken? 5